Uitkeringsfraude

Ik werd op het matje geroepen bij het UWV. Nadat de Klantadviseur Werk me eerst hartelijk feliciteerde met mijn nieuwe baan, sprak ze me aan op het feit dat ik niet meer had gesolliciteerd sinds ik weer aan het werk was. Ik legde uit hoe het één verband hield met het ander.
Ze hoorde wat ik zei, zei ze. ‘Maar het kan zijn dat je naast je inkomen nog recht hebt op een aanvullende WW-uitkering. En met het recht op de uitkering blijft de plicht om te solliciteren bestaan.’
‘Ik hoef geen aanvullende uitkering. Ik kan prima rondkomen van mijn salaris,’ zei ik. Namens de overheid zou ze ongetwijfeld blij zijn om dit te horen. Als vrouw had ik toch maar mooi mijn economische zelfstandigheid verworven.
Ze was echter onverbiddelijk. ‘Deze keer krijg je een gele kaart. Zie het als een waarschuwing. Maar als het nog eens gebeurt, krijg je een rode kaart.’
‘Wat betekent dat?’ vroeg ik.
‘Dat je minder of zelfs helemaal geen uitkering meer krijgt.’

Je verzint het toch niet.

Zo overleef je het eerste jaar van je huwelijk

‘Hé Dougan, we zijn vandaag een jaar officieel getrouwd,’ zei ik vanochtend.
‘Oh, dat is leuk,’ zei hij.
Voor God Illegaal zijn we al langer getrouwd, maar daarvan ben ik de datum vergeten. Dat Dougan déze trouwdatum niet heeft onthouden zie ik dus maar door de vingers.

Over vingers gesproken. Onze trouwringen dragen we inmiddels niet meer. Dougan vindt de zijne niet lekker zitten en ik ben de mijne een paar dagen geleden kwijtgeraakt.

De romantiek spat ervanaf hier. Dat is nooit anders geweest.

‘Wat vind jij het allerleukste aan Anne?’ vroeg de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand vorig jaar aan Dougan. Daar kun je volgens mij tal van antwoorden op geven. Bijvoorbeeld:

  • ‘Die prachtige ogen van haar waar een man in kan verdrinken.’
  • ‘Ze beneemt me de adem met haar geknuffel.’
  • ‘Ze is heel grappig, lees haar woordschetsen maar eens.’
  • En zelfs: ‘Zij is degene die er elke ochtend zonder ál te veel klagen uit gaat om onze zoon uit bed te halen.’

‘Ze is zo gewoon,’ antwoordde Dougan.

Het geheim van een goed huwelijk: neem alles wat de ander zegt maar gewoon als een compliment aan.

Vluchten of vechten

Het is alweer een tijd geleden (maar er is nog niet veel veranderd). Ik werkte nog voor de luchthaven en had dat weekend piketdienst, wat betekent dat ik constant een telefoon bij me droeg die elk moment af kon gaan met een crisismelding. Die melding kwam op zondagochtend. De zon scheen en ik had de knop van de voordeur al in mijn hand om naar buiten gaan.

Een uitgezette asielzoeker die vanochtend op het vliegtuig zou worden gezet is ontsnapt en wordt nu gezocht. Vermoedelijk heeft hij zich verstopt in de bagagekelder. De man is een professioneel kickbokser.

Meteen zat mijn hart in mijn keel. Het klonk als het plot van een film, maar dit gebeurde in het echt en uit het zicht van camera’s. Toch kon ik de scène haast voor me zien. Een man die zich, ergens tussen die kilometers bagagebanden, stil en onzichtbaar probeerde te maken. Zwaarbewapende militairen die systematisch de ruimte uitkamden en steeds dichterbij kwamen. Ondertussen hoopte ik stiekem op een happy end.

Een paar uur later weer een melding. De marechaussee heeft de man opgepakt. Crisis voorbij.

Dat is goed nieuws, appte een collega. Fijne dag verder.

Voor wie is dit goed nieuws en voor wie is de crisis voorbij, dacht ik. Deze kickbokser die vandaag het belangrijkste gevecht uit zijn leven verloor zal niet zo’n fijne dag hebben verder.

Gestolen momenten

Jad heeft niet alleen mijn hart gestolen, maar ook het grootste gedeelte van mijn tijd. Zodra hij ’s ochtends wakker wordt, ritst hij zijn slaapzak los, schopt hij zijn benen in de lucht en roept hij: ‘Mama! Mama! Maaamaaa!!!’ Klaar om weer een nieuwe dag door te brengen met zijn mama, zijn baba, zijn opa, zijn oma, de buurvrouw, de dochter van de buurvrouw, de hond van de dochter van de buurvrouw, etc. etc.

Waar ik als het kind al het liefst in een hoekje wegkroop om ongezien mijn eigen gang te kunnen gaan, wil Jad juist alles wat hij meemaakt delen. En aangezien ik alweer twee maanden fulltime thuis met hem ben, wil hij vooral alles delen met mij.
‘Mama! Mama! Mama!’ Kijk, een vlieg op het raam. De vuilniswagen. Het gras wordt gemaaid. Daar loopt een poes. Kijk, een auto. En ook nog een fiets! Wat is de wereld toch prachtig!!! Zullen we naar buiten gaan? Ik wil mijn oude sneakers aan. Nee, mijn nieuwe sneakers. Nee, mijn kaplaarzen. NEE, de werkschoenen van baba! Wat zijn schoenen toch mooi!!!

Eenmaal op straat blijft Jad net zolang voor iedere voorbijganger staan totdat ik wel een praatje met hen moet maken. En als we eindelijk verder kunnen lopen, zwaait hij hen nog lang nadat ze uit zijn zicht verdwenen zijn uit.

Heel lief, zo’n gezelligheidsdiertje. En dodelijk vermoeiend. Uit mijn leven voor Jad mis niet zozeer het dansen, of het reizen, of mijn zorgeloosheid, of het altijd uitgeslapen zijn. Ik mis het alleen-zijn. En dus, zodra de kans zich voordoet, glip ik er tussenuit voor een verloren halfuur waarin niemand mij nog mist en ik weer even onzichtbaar kan zijn.

(Om daarna de voordeur open te gooien en mijn armen te spreiden voor een zielsgelukkig mannetje dat op me af komt rennen).

Damascus

‘Heb je veel verhalen gehoord over Damascus?’ vroeg ze me.
Ik wil je er alles over vertellen, bedoelde ze. En ze ratelde: ‘Er is een grote straat langs een rivier met aan allebei de kanten allemaal restauranten. Op een avond zoals deze is het daar vol met mensen. Het is mijn favoriete plek. Toen mijn vader wegging hebben we daar in een restaurant een afscheidsfeest gegeven. Mijn moeder zei dat mijn vader gewoon naar het buitenland zou gaan om te werken. Ze wilde me niet bang maken. Maar ik voelde wel dat het niet klopte. Mijn vader ging naar Nederland en een jaar later gingen wij ook. Ik was acht. Ik was blij omdat ik mijn vader weer zou zien. Maar soms wil ik terug en Damascus weer zien.’