Vluchten of vechten

Het is alweer een tijd geleden (maar er is nog niet veel veranderd). Ik werkte nog voor de luchthaven en had dat weekend piketdienst, wat betekent dat ik constant een telefoon bij me droeg die elk moment af kon gaan met een crisismelding. Die melding kwam op zondagochtend. De zon scheen en ik had de knop van de voordeur al in mijn hand om naar buiten gaan.

Een uitgezette asielzoeker die vanochtend op het vliegtuig zou worden gezet is ontsnapt en wordt nu gezocht. Vermoedelijk heeft hij zich verstopt in de bagagekelder. De man is een professioneel kickbokser.

Meteen zat mijn hart in mijn keel. Het klonk als het plot van een film, maar dit gebeurde in het echt en uit het zicht van camera’s. Toch kon ik de scène haast voor me zien. Een man die zich, ergens tussen die kilometers bagagebanden, stil en onzichtbaar probeerde te maken. Zwaarbewapende militairen die systematisch de ruimte uitkamden en steeds dichterbij kwamen. Ondertussen hoopte ik stiekem op een happy end.

Een paar uur later weer een melding. De marechaussee heeft de man opgepakt. Crisis voorbij.

Dat is goed nieuws, appte een collega. Fijne dag verder.

Voor wie is dit goed nieuws en voor wie is de crisis voorbij, dacht ik. Deze kickbokser die vandaag het belangrijkste gevecht uit zijn leven verloor zal niet zo’n fijne dag hebben verder.

Gestolen momenten

Jad heeft niet alleen mijn hart gestolen, maar ook het grootste gedeelte van mijn tijd. Zodra hij ’s ochtends wakker wordt, ritst hij zijn slaapzak los, schopt hij zijn benen in de lucht en roept hij: ‘Mama! Mama! Maaamaaa!!!’ Klaar om weer een nieuwe dag door te brengen met zijn mama, zijn baba, zijn opa, zijn oma, de buurvrouw, de dochter van de buurvrouw, de hond van de dochter van de buurvrouw, etc. etc.

Waar ik als het kind al het liefst in een hoekje wegkroop om ongezien mijn eigen gang te kunnen gaan, wil Jad juist alles wat hij meemaakt delen. En aangezien ik alweer twee maanden fulltime thuis met hem ben, wil hij vooral alles delen met mij.
‘Mama! Mama! Mama!’ Kijk, een vlieg op het raam. De vuilniswagen. Het gras wordt gemaaid. Daar loopt een poes. Kijk, een auto. En ook nog een fiets! Wat is de wereld toch prachtig!!! Zullen we naar buiten gaan? Ik wil mijn oude sneakers aan. Nee, mijn nieuwe sneakers. Nee, mijn kaplaarzen. NEE, de werkschoenen van baba! Wat zijn schoenen toch mooi!!!

Eenmaal op straat blijft Jad net zolang voor iedere voorbijganger staan totdat ik wel een praatje met hen moet maken. En als we eindelijk verder kunnen lopen, zwaait hij hen nog lang nadat ze uit zijn zicht verdwenen zijn uit.

Heel lief, zo’n gezelligheidsdiertje. En dodelijk vermoeiend. Uit mijn leven voor Jad mis niet zozeer het dansen, of het reizen, of mijn zorgeloosheid, of het altijd uitgeslapen zijn. Ik mis het alleen-zijn. En dus, zodra de kans zich voordoet, glip ik er tussenuit voor een verloren halfuur waarin niemand mij nog mist en ik weer even onzichtbaar kan zijn.

(Om daarna de voordeur open te gooien en mijn armen te spreiden voor een zielsgelukkig mannetje dat op me af komt rennen).

Damascus

‘Heb je veel verhalen gehoord over Damascus?’ vroeg ze me.
Ik wil je er alles over vertellen, bedoelde ze. En ze ratelde: ‘Er is een grote straat langs een rivier met aan allebei de kanten allemaal restauranten. Op een avond zoals deze is het daar vol met mensen. Het is mijn favoriete plek. Toen mijn vader wegging hebben we daar in een restaurant een afscheidsfeest gegeven. Mijn moeder zei dat mijn vader gewoon naar het buitenland zou gaan om te werken. Ze wilde me niet bang maken. Maar ik voelde wel dat het niet klopte. Mijn vader ging naar Nederland en een jaar later gingen wij ook. Ik was acht. Ik was blij omdat ik mijn vader weer zou zien. Maar soms wil ik terug en Damascus weer zien.’

Aai over de bol

Je weet dat je écht een moeder bent, als je zelfs gaat moederen over kinderen die de jouwe helemaal niet zijn.

Om de dertigers in ons midden zich weer eens jong te laten voelen, gingen we lasergamen. We waren niet de enigen; de ruimte was vol met een groep kinderen. Geconfronteerd met al die bewegelijke jongenslijven in trainingspakken, stelde ik meteen mijn tactiek bij. Rennen voor mijn leven naar een goede schuilplaats.

Vanuit mijn schuilplaats zag ik hoe een paar jongens op elkaar botsten en weer weg schoten. Maar een van hen bleef stilstaan met zijn hoofd naar beneden. Ik liep naar hem toe, hurkte zodat ik hem aan kon kijken en legde mijn hand op zijn schouderblad.
‘Gaat het?’ vroeg ik.
Hij snikte. ‘Iemand knalde zijn geweer tegen mijn hoofd aan.’
‘Wil je even naar buiten?’
‘Nee, het gaat wel.’ Hij poetste zijn tranen weg.
En toen strekte ik mijn hand uit en aaide ik hem over zijn hoofd. Hij schrok daar net zo hard als ik van en rende gauw weg.

De dertigers en verkeerde-kant-van-de-twintig-ers eindigden die middag in een hotelbar. Dat vond ik me wat sexy, maar wie houd ik eigenlijk voor de gek.

Pretpakket

Toen ik zwanger was, kwam D. op een dag thuis met een vuilniszak vol babykleertjes. Zijn collega, die ook haar eerste kindje verwachtte, had de kleertjes van haar buurvrouw gekregen en zelf al een eerste selectie gemaakt. De afdankertjes van de afdankertjes waren voor ons.

Dus niet hè. Voor mijn baby wilde ik alleen datgeen wat net zo nieuw en zacht was als hijzelf. Voor de vorm viste ik een romper en een joggingsetje uit de zak. Daarna d(ep)oneerde ik de hele handel bij de kringloop.

Nu, anderhalf jaar later, leef ik met een dreumes die pindakaas in zijn haren smeert en in schapenpoep rond stampt. Voor hem hoef ik niet meer het nieuwste van het nieuwste. Ik ben allang blij als er überhaupt nog iets schoons in zijn kast ligt.

Daarbij, hij is inmiddels al aan zijn vijfde garderobe bezig. Nu komt het geldbedrag dat ik aan zijn kleding uitgeef waarschijnlijk nog niet in de buurt van het bedrag dat ik op jaarbasis spendeer aan Thuisbezorgd, maar toch. Een beetje extra besparen kan nooit kwaad.

Groot was dan ook mijn enthousiasme toen ik ontdekte dat er op Marktplaats complete kledingpakketten worden verkocht voor een schijntje. De dreumes hobbelt nu alsnog rond in tweedehandsjes. En wat blijkt? Ik vind ‘m nog steeds even uniek.