Baas in eigen buik

‘Heb je het al gehoord?’
‘Wat?’
‘Anne heeft een kind.’
‘Echt??? Van wie?’
‘Van haar vriend, zegt ze.’
‘Ik wist niet eens dat ze een vriend heeft.’
‘Ja, maar ze was nog niet zo heel lang met hem samen toen ze zwanger raakte.’
‘Hoe dan?’
‘Door seks natuurlijk. Maar hij is dus Syrisch, die vriend van haar.’
‘Daar krijg je wel mooie kindjes van.’
‘Ja, maar ook een heleboel problemen. Straks neemt hij hun kind over een paar jaar mee naar Syrië.’
‘Dat soort verhalen hoor je heel veel.’
‘En ik vraag me af of mannen in die cultuur ook iets aan de opvoeding doen.’
‘Waarom heeft ze het kind dan eigenlijk gehouden? Je kunt het tegenwoordig toch ook gewoon weg laten halen.’
‘Als ik haar was, had ik dat gedaan.’

Gelukkig leven we in een land waar een vrouw baas in eigen buik is, en niemand anders. En ik koos dit:

(Overigens is deze dialoog fictief, behalve dan dat alles wel minstens een keer tegen me gezegd is.)

Mama

Het is zaterdag 30 september, tien voor tien ’s avonds als ik mijn baby stevig aanpak om nooit meer los te laten. Ik ben mama. En ik voel er helemaal niets bij. Dat wil zeggen: boven alles voel ik de afwezigheid van pijn. Het is met terugwerkende kracht dat ik op dat moment zoveel liefde voel voor die rood aangelopen, schreeuwende baby in mijn armen.

Ik verwachtte dat moederliefde een groots, nieuw gevoel zou zijn. Ik zocht daarom naar dat gevoel terwijl ik met een frons toekeek hoe de verloskundige mijn baby liet vallen om zijn schrikreflex te testen. Ik zocht naar dat gevoel terwijl ik ’s nachts zat te knikkebollen boven zijn slapende hoofdje op mijn borst. Terwijl ik om de haverklap controleerde of hij nog wel adem haalde. Zorgvuldig zijn poepluiers inspecteerde op de kleur.

Niemand die mij zo in de weer zou hebben gezien, zou eraan hebben getwijfeld of ik de moeder van deze baby was. Alleen een moeder vraagt zich af of ze wel genoeg liefde voor haar kind heeft.
Ze heeft niet alleen genoeg, maar vooral ook steeds meer.

Mijn liefde voor mijn baby groeit met hem mee. Dat gaat haast onmerkbaar. Het is op onwillekeurige momenten dat ik het opeens opmerk. Dat mijn hart net zo krap om mijn liefde voelt als het geboortepakje om zijn nu drie weken oude lijfje. Maar waar het pakje begint te knellen, rekt mijn hart mee. Steeds groter en groter wordt het.

Ingewijd

‘Ik had nooit gedacht dat ik zwanger zijn zo fantastisch zou vinden,’ zei ze. Haar huid en ogen straalden met een onschuld die me recht in het hart trof, omdat ik mijzelf van zo’n twee weken terug erin herkende.
Wacht maar tot je ligt te bevallen, dacht ik. Dan is het allemaal echt zo fantastisch niet meer.
Dat kon ik haar echter niet vertellen. Net zoals alle moeders die ik ken het mij van tevoren niet konden vertellen, maar hoogstwaarschijnlijk allemaal wel dachten.

‘Is de bevalling makkelijk gegaan?’ vroeg een zwangere studievriendin aan me.
Eerlijk gezegd was ik er al klaar mee voor het goed en wel begonnen was. Na uren van onregelmatige weeën dacht ik dat mijn baby de uitzondering op het cliché zou blijken en dus wél zou blijven zitten. Achteraf zou ik dat niet eens heel erg hebben gevonden, want dan hadden ze hem eruit mogen trekken met een vacuümpomp of snijden tijdens een keizersnede. Allebei beter dan keer op keer persen zonder persweeën terwijl de verloskundige haar vingers naar binnen stak om me te dwingen ze er samen met het babyhoofdje uit te drukken, maar waardoor ik mijn voeten liever in haar gezicht wilde planten dan in haar zij.

Dat is niet het antwoord dat ik gaf. De pijn van een bevalling kan ik niet beschrijven en al kon ik dat wel, het zou mijn vriendin niet helpen. Eenmaal zwanger is er geen ontkomen meer aan. Wat ik wel kon vertellen, is dat ik de verloskundige niet in haar gezicht heb getrapt. Dat ik mijzelf elke keer weer kon herpakken. Mijn verstand elke keer weer op nul kon zetten en weer een grote hap adem kon nemen. Totdat het hoofdje eindelijk niet meer terug naar binnen floepte, maar bleef staan.

‘Hij is het allemaal waard toch,’ gooide een niet-moeder vriendin er nog een cliché tegenaan.
Dat is waar. Dat je de pijn bent vergeten zodra je jouw kind in je armen houdt, niet. Het is maar goed dat je bij de eerste niet weet hoe het is en bij een volgende weet hoeveel je van je kindje gaat houden. En dat je het kunt, ook al denk je zelf op dat moment van niet.

Hand in eigen boezem

Hand in eigen boezem
Woontrend: asymmetrie in de keuken

Ik geef mijn hormonen er de schuld van dat ik mij minstens een paar keer per dag zo boos maak om de verbouwing.
‘Het komt goed,’ zeggen D. en mijn moeder en mijn oma en mijn vriendinnen en mijn collega’s en mijn verloskundige en alle anderen die per ongeluk aan me vragen hoe het gaat dan.
Waarop ik nog bozer roep: ‘Daar gaat het helemaal niet om!’
Het gaat mij om de manier waarop het gaat. Om toezeggingen die keer op keer worden gedaan en keer op keer niet worden nagekomen. Om de gipsplaten die in allerijl tegen de muren zijn geplaatst waardoor onze op de millimeter geplande keuken niet meer past. Om de boiler die nu dus scheef boven de spoelbak hangt. Om de wasmachine die op de verkeerde (en meest rotte) plek is geïnstalleerd omdat er gewoon niet goed naar het ontwerp is gekeken. Omdat er niet naar mij geluisterd, laat staan met mij overlegd wordt.
Het enige goede dat hieruit voortkomt, is dat ik me op het huishouden stort om mijn woede te ventileren. Terwijl ik in zo’n driftbui de afwas doe en het bestek in het droogrek smijt, realiseer ik mij echter dat ik vooral boos ben op mijzelf. Want eerlijk is eerlijk, het is mijn eigen schuld. Ik heb zelf alles uit handen gegeven, omdat ik het wel makkelijk vind om me niet bezig te hoeven houden met dingen die ik moeilijk vind. Dat inzicht kalmeert me enigszins, want ik ben veel milder voor mijn eigen karakterfouten dan voor die van anderen.
‘Je hebt nu in ieder geval al mijn slechte kanten in één keer gezien,’ zeg ik daarna tegen D.

Kleine D. lijkt nu al (niet) op mij

Na 30 weken zwangerschap begint het duidelijk te worden dat kleine D. in sommige opzichten al erg op mij lijkt. Hij gaat bijvoorbeeld niet graag op de foto:

Baby vet
Voor wie hier niks in kan zien: dit zijn de allerliefste zwart-witte vlekken ooit. Die grote zwarte vlek is bovendien het handje van kleine D. dat hij voor de camera houdt.

In andere opzichten lijkt hij juist helemaal niet op mij. Tijdens de groei-echo meet de echoscopist een aantal keer zijn buikje op.
‘Wat kleiner dan gemiddeld,’ concludeert ze.
Bij de verloskundige is het mijn beurt. Ik ga liggen en ontbloot mijn buik, terwijl zij haar meetlint tevoorschijn haalt. Ze spant hem in de lengte over mijn buik. En dan nog eens. En dan nog een derde keer.
’Ik kan er echt niks anders van maken,’ zegt ze. ‘Ruim 31 centimeter. Dat is wat groter dan gemiddeld. Maar aan de achterkant zie je er niks van hoor.’
Gelukkig is niet alleen mijn buik dikker geworden, maar mijn huid ook.