Als de waarheid als een slappe smoes klinkt

Veel te vroeg in de ochtend sta ik op de bus te wachten die me naar de trein brengt die me naar een andere trein brengt die me naar een andere bus brengt die me naar kantoor brengt.
‘Hey Anne!’ hoor ik opeens. ‘Is je verlof alweer voorbij?’ Mijn buurvrouw staat naast me.
‘Ja,’ zeg ik. En we babbelen wat over Jad en hoe groot hij al wordt en hoe stil hij is want ze hoort hem nooit huilen.
‘Vind je het moeilijk om hem achter te laten?’
Ik knipper met mijn ogen. ‘Een beetje. Ik zou liever bij hem blijven.’
Er rijdt een auto langs. In het schijnsel van de koplampen neemt ze me op. ‘Moet je nou huilen?’
‘Nee, nee! Dat komt door de wind,’ zeg ik en veeg mijn wangen droog.
Haar bus stopt en ze stapt in. Door mijn tranen heen zie ik hoe ze nog een keer naar me omkijkt.

De Onderdrukking Van De Vrouw

Wat me nu toch weer werd gezegd. ‘Jouw vriend is moslim toch? Wacht maar, binnen vijf jaar draag jij een hoofddoek.’

En wat dan nog, zou je denken, om vervolgens verder te gaan met je eigen leven. Maar wacht even. Een waarschuwing, al wordt die dan een tikkeltje te triomfantelijk gegeven door iemand die jou verder niet kent en je vriend nog minder, moet je nooit zomaar in de wind slaan. Zo’n man maakt zo’n opmerking immers niet voor niets. Het gaat niet zozeer om de hoofddoek, maar waar die volgens hem voor staat. De Onderdrukking Van De Vrouw.

Anne: ‘Zullen we een experiment doen waarbij jij een week lang elke dag mag bepalen wat ik draag?’
D: ‘Waarom?’
Anne: ‘Dat is leuk voor mijn blog.’
D: ‘Oké.’
Anne: ‘Dus wat mag ik vandaag aan?’
D: ‘Iets warms, want het wordt koud.’
Anne: ‘Maar ik wil eigenlijk mijn nieuwe jurk aan. Mag dat ook?’
D: ‘Die is toch niet warm?’
Anne: ‘Ik wist het! Jij wilt gewoon dat ik een sjaal omdoe!’
D: ‘Doe die jurk nou maar aan.’

En dat was dan meteen het einde van het experiment. Gelukkig kan ik nu met zekerheid zeggen dat D. niet het soort man is die zijn vrouw onderdrukt.

Van die ander kan ik dat dus niet zeggen, trouwens. Wat ik nog het meest in zijn opmerking mis, is mijn eigen rol in het geheel. Dat ik wel of geen hoofddoek draag, is omdat ík dat wel of niet wil. Maar dat komt in zijn hoofd niet op. In zijn ogen ben ik blijkbaar een vrouw zonder zeggenschap over haar eigen leven; die dient te gehoorzamen aan de wil van haar man. Als dat je beeld is van vrouwen hè… wie is hier dan degene die vrouwen onderdrukt.

Als het melkmeisje weer gaat werken

Jad is wat je noemt een borsten-man. Vandaar dat hij zo gek is op zijn mama. Vandaar ook dat hij de speen van een fles niet moet.

Met die fles zijn Jad en ik netjes al een paar weken na zijn geboorte gaan oefenen. Want je wilt niet dat je na drie maanden verlof, als je weer gaat werken en je de baby achterlaat bij de oppas, ontdekt dat de baby een flesweigeraar is. Maar in plaats van dat het drinken uit de fles steeds beter ging, ging het bij Jad steeds slechter. Terwijl de weken van mijn verlof verstreken, werd ik dan ook steeds ongeruster. En begon mijn zoekgeschiedenis van Google vol te staan met zoekopdrachten als ‘flesweigeren tips’, ‘symptomen ondervoeding baby’ en ‘sondevoeding baby’. Je weet immers maar nooit.

Alle tips heb ik ondertussen bijna allemaal geprobeerd. Een kleinere, zachtere speen die op een tepel lijkt, andere voeding, de baby lekker dicht tegen me aanhouden, de baby juist wat verder van mij afhouden, hem de fles aanbieden voor het slapen, hem de fles aanbieden na borstvoeding, keer op keer poesje mauw zingen (‘ik heb lekkere melk voor jou’). Vertellen dat de arme kindjes in Oost-Ghouta helemaal geen melk hebben. Het mag allemaal niet baten. Zodra Jad zijn mondje om de speen sluit en merkt dat hij is gefopt, begint hij van boosheid te huilen. En hij mag dan kleinere longen hebben dan ik, hij heeft een langere adem. Waardoor ik het negen van de tien keer eerder opgeef dan hij en mijn jurk maar weer omhoog hijs.

Dus daar zitten we nu. Mijn verlof is voorbij en Jad weigert de fles. De enige internettip die ik nooit heb uitgeprobeerd (want dat kan ik écht niet over mijn moederhart verkrijgen) is hongerprovocatie. Maar ik heb een kleine hoop dat dat morgen bij zijn oppasoma dé oplossing blijkt te zijn. En anders is er altijd nog sondevoeding. Een hele geruststellende gedachte.

Huidhonger

Jad krijgt zijn eerste inentingen. De avond ervoor draai ik nog een laatste was, de vierde van die dag, ruim ik die eerdere wassen op en verschoon ik het grote bed, het kleine bed en het wiegje.
‘Ik stel me erop in dat ik morgen de hele dag zal knuffelen met Jad en verder niks gedaan krijg,’ leg ik ondertussen uit aan D.
‘Zoals elke dag dus,’ zegt hij.

Eenmaal bij het consultatiebureau blijkt dat ik het allemaal spannender vind dan mijn baby. Die huilt alleen even als de naalden in zijn beentjes worden geprikt, maar zodra ik hem oppak en met trillende handen aankleed is hij allang weer stil.

Komt door al dat knuffelen. Daar krijg je ontspannen baby’s van.

Baas in eigen buik

‘Heb je het al gehoord?’
‘Wat?’
‘Anne heeft een kind.’
‘Echt??? Van wie?’
‘Van haar vriend, zegt ze.’
‘Ik wist niet eens dat ze een vriend heeft.’
‘Ja, maar ze was nog niet zo heel lang met hem samen toen ze zwanger raakte.’
‘Hoe dan?’
‘Door seks natuurlijk. Maar hij is dus Syrisch, die vriend van haar.’
‘Daar krijg je wel mooie kindjes van.’
‘Ja, maar ook een heleboel problemen. Straks neemt hij hun kind over een paar jaar mee naar Syrië.’
‘Dat soort verhalen hoor je heel veel.’
‘En ik vraag me af of mannen in die cultuur ook iets aan de opvoeding doen.’
‘Waarom heeft ze het kind dan eigenlijk gehouden? Je kunt het tegenwoordig toch ook gewoon weg laten halen.’
‘Als ik haar was, had ik dat gedaan.’

Gelukkig leven we in een land waar een vrouw baas in eigen buik is, en niemand anders. En ik koos dit:

(Overigens is deze dialoog fictief, behalve dan dat alles wel minstens een keer tegen me gezegd is.)