Kleur bekennen

Ik dacht dat ik als een kameleon was. Dat ik van kleur verschiet als mijn omgeving verandert. Maar na een kleurentest die ik voor werk moest doen, blijkt dat ik vooral geel en groen ben met een turkoois accent. Vrij vertaald: ik leef met mijn hoofd in wolken lucht en liefde.

‘Je hebt een uitgesproken profiel,’ concludeert de man die is ingehuurd om drie uur over paletten te praten. ‘Maar oranje is een aandachtspunt. Werk naar een resultaat toe.’
Hij is nog niet uitgepraat, of ik storm het kantoor waar mijn manager rustig zit te werken binnen. ‘We moeten ons bila weer inplannen,’ zeg ik tegen haar. ‘Ik moet doelen stellen en een actieagenda maken. Een stip op de horizon zetten, want nu ga ik nergens naartoe.’
Ze draait zich naar mij om en ziet de paniek op mijn gezicht. ‘Laat je niet gek maken,’ zegt ze. ‘Je gaat echt wel ergens naartoe. En je hoeft niet te weten waarheen.’

Die keer dat ik een date had met vier chefs

Ik ben te laat voor onze afspraak en kom verwilderd aan.
‘Wil je ook wat eten?’ vraagt Chung vriendelijk. Hij en de andere chefs zitten op het terras aan het water van zijn restaurant.
‘Ja, lekker,’ zeg ik, met een schuin oog op de gevulde schalen die op tafel staan.
Chung overhandigt me eetstokjes.
Het zweet dat net begon op te drogen breekt me weer uit. Onder de ogen van vier van de beste chefs van Rotterdam frummel ik wat met die stokjes tot mijn vingers enige grip lijken te hebben. Ik reik naar een van de schalen en pak wat van de knapperige eend. Vlug stop ik het in mijn mond en opgelucht kauw ik. Maar hoe lekker het ook smaakt, ik durf mijn geluk niet nog eens uit te proberen. Om te verhullen dat ik eigenlijk een neppe foodblogger ben, doe ik net alsof ik mijn taak om hen te interviewen heel serieus neem.
En schrijf ik een artikel over hun Rozentuindiner waar ik heel graag naartoe wil. Maar ik durf niet meer.

Waarom ik schrijf, ook als niemand leest

Een vrijdagavond in het Vroesenpark. De bladeren van de bomen verspreidden de klanken van fado-achtige liedjes over zeemannen en wachtende vrouwen. Op het terras van het paviljoen traden zangeres Iris en gitarist Tim op voor lege houten stoelen (en voor mij).

Terwijl ik naar Iris en Tim luisterde, dacht ik aan de Spaanse Justo die elke dag met zijn gitaar op het Plaza de España in Sevilla staat, maar zoveel meer is dan een straatmuzikant. Aan zijn vriendin Susana die – bij gebrek aan een betere expositieruimte – hun appartement volhangt met haar magische schilderijen. En aan mijn woordschetsen met 66 Facebook volgers.

Eerlijk, ik droom ook van de dag dat er gevochten wordt om de filmrechten van mijn bestseller te kopen. Maar als die dag nooit komt, als ik na mijn dood niet vergeten word omdat ik tijdens mijn leven niet gekend ben, dan is het ook goed.

Ik houd van de puurheid van expressie die nog onopgemerkt is en die vrij is van bitterheid als ‘waarom ik niet en zij wel, terwijl ik minstens zo goed ben’. Wat doet dat ertoe? Mijn woordschetsen zijn onbetekenend, voor jou, misschien, en betekenen alles, voor mij. Ik krijg kriebels in mijn buik van likes en positieve reacties, en de mensen die ze geven heb ik het liefst. Maar ook zonder zou ik het alsnog niet kunnen laten om te schrijven over wat mij raakt. Daarom.

De concurrentiestrijd

‘Anne, kom eens.’
Mijn manager staat in haar kamer (die met die kanariegele bank) en wenkt mij naar binnen.
‘Ik wil je voorstellen aan D.,’ zegt ze. ‘Zij is onze nieuwe content specialist. Je weet wel, die functie waar jij op solliciteerde.’
D. en ik glimlachen naar elkaar om onze keurende blikken te verhullen, maar onze ogen zien alles. De mijne blijven vooral hangen bij haar volle bos donkerbruine krullen. Ook dat nog.
Oké, ik solliciteerde zonder verwachtingen op die functie omdat ik 0 van de vereiste 5 jaar relevante ervaring had. Maar D. is maar een jaar ouder dan ik en heeft de baan wel gekregen. Ik heb een inhaalslag te maken. En niets prikkelt me zo als een kleine dosis jaloezie en wat competitie.
‘Ze is je concurrente,’ zei een vriend van mij.
‘Maar niet echt, want zij heeft al gewonnen,’ zei ik.
(Voor nu).

Het sollicitatiegesprek waarbij ik in tranen uitbarstte

Ik ben nogal snel in tranen. Toen de kapper mijn haar verpestte op de trouwdag van mijn broer, bijvoorbeeld. Of boven een bord pompoenravioli bij O’Pazzo toen M. zei: ‘volgens mij ben je verdrietig.’ Of op het vliegveld van Brussel toen ik wachtte op mijn vlucht naar Sevilla. Maar op nummer één staat het sollicitatiegesprek.

Ik zat op een kanariegele bank, naast mijn potentiële toekomstige manager.
‘Ik krijg de echte Anne maar niet te zien,’ zei ze tegen me. ‘Wie ben jij?’

*

‘Wie ben jij?’ vraag ik aan Vera.
Ze rolt met haar ogen en ik hoor haar denken, Anne, doe niet zo moeilijk.
‘Nee echt, wie ben jij?’ dring ik aan.
‘Ik ben Vera,’ zegt ze stellig.
Ik moet lachen om die nuchterheid van haar. Het lijkt soms andersom, maar zij is de onafhankelijke van ons twee. Zij is Vera en ze doet haar eigen ding en lekker belangrijk wat jij daarvan vindt. Maar stel mij die vraag en ik barst in tranen uit. Hoe kan ik zelfs maar weten wie ik ben als wie ik ben afhankelijk is van met wie ik ben? Ik ben als een kameleon; ik pas mijzelf aan mijn omgeving aan.

Er is nog een reden dat ik niet veel kan met die ‘wie ben jij’ vraag. Ik kan op die vraag antwoorden wat ik wil, maar wie ik echt ben wordt duidelijk in wat ik doe. “Action is character.”
Dat ik begon te huilen op die kanariegele bank, was haar antwoord.
Ik begin volgende week maandag.