Het date-dilemma

‘Ik wil je zien,’ zegt hij.
Zijn stem valt haast weg door het geluid van zomer in de stad en ik druk mijn telefoon tegen mijn oor.
‘Wát zeg je?’ vraag ik.
‘Ik wil je zien. Kun je morgen afspreken?’
‘Ja,’ zeg ik blij, want ik wil hem ook zien, vooral zijn ogen als hij lacht.
En met een glimlach om mijn lippen en mijn telefoon in mijn hand loop ik verder. ‘Ping’ klinkt het. Ik kijk naar mijn telefoon en zie een appje binnenkomen.
‘Hi Anne! De chefs van het Rozentuindiner stellen zich morgen voor. Heb jij tijd en zin om erheen te gaan en een artikel te schrijven?’
Mijn hart en ik blijven midden op straat stilstaan.
‘Sorry,’ typ ik dan. ‘Ik kan morgen niet.’
Mijn duim zweeft boven de woorden, maar ik aarzel.
Anne, je laat niet een kans om te schrijven voorbijgaan voor een man, spreek ik mijzelf rap toe.
Mijn duim tikt op Stuur.
Als hij mij echt leuk vindt, begrijpt hij het.

Woordenschat

‘Zie dat!’ kraaide zijn stemmetje.
Ik keek op van ons voorleesboek en volgde met mijn ogen zijn uitgestoken vinger om te zien wat hij interessanter vond dan Muis op de peuterspeelzaal. Hij keek met open mond naar een geluidloze tv-reclame van het Wereld Natuur Fonds.
‘Zie dat!’
‘Wat zie je?’ vroeg ik.
Hij draaide zijn hoofd naar mij en keek me onbegrijpend aan. Alsof hij zeggen wilde: wat stel je soms toch moeilijke vragen, Anne. Maar ook daar had hij de woorden nog niet voor.
‘Zie dat!’
‘Ik zie een gorilla,’ zei ik.
‘Gorilla boos,’ zei hij. ‘Bibi bang.’

De wereld is voor hem een enge plek omdat hij haar nog niet goed duiden kan. Ik vind het juist fascinerend dat de wereld oneindig veel meer omvat dan ik ooit kan begrijpen met mijn woordenschat. Het liefst spreek ik alle zevenduizend talen van de wereld vloeiend omdat ik denk dat ik het leven zelf zou kunnen doorgronden als ik er de juiste woorden voor zou kunnen vinden. Het is een illusie. Al sprak ik alle talen van de wereld, als ik die van de liefde niet sprak, werd de wereld echt een enge plek.

Mijn liefdesaffaire met het leven

Als ik zeg dat ik niet in God geloof, vind ik het toch nog zielig voor hem,’ zei Rebekka en ze verwoordde wat ik voel.

Ik kan God niet helemaal loslaten. Hij is al vijfentwintig jaar deel van mijn leven en ik ben aan hem gewend geraakt. Maar mijn relatie met God is er een van afwijzing en schuld. Ik ben hem ontrouw. Ik houd van het leven. En ik ken God; ik weet dat hij jaloers is. Hij duldt geen andere liefdes naast zich.

Mijn liefdesaffaire met het leven

Noorden

Elke keer wanneer ik vanaf de A20 ‘mijn’ stukje Rotterdam binnenrijd bij afrit 14, bekijk ik de tekstregel die is aangebracht op een van de zuilen van het viaduct:

Zonder noorden komt niemand thuis.

Jij bent mijn zuiden, voeg ik daar in gedachten aan toe.
Jij bent mijn zuiden waar ik heen vlucht omdat ik even wil verdwijnen uit mijn echte leven. Omdat ik even de zon wil voelen schijnen op mijn onbedekte huid.
Zo ver weg verlies ik mijzelf en vind ik mijzelf verloren terug. Ik ben mijn noorden.