Aai over de bol

Je weet dat je een moederkloek bent, als je zelfs gaat moederen over kinderen die de jouwe helemaal niet zijn.

Om de dertigers in ons midden zich weer eens jong te laten voelen, gingen we lasergamen. We waren niet de enigen; de ruimte was vol met een groep kinderen. Geconfronteerd met al die bewegelijke jongenslijven in trainingspakken, stelde ik meteen mijn tactiek bij. Rennen voor mijn leven naar een goede schuilplaats.

Vanuit mijn schuilplaats zag ik hoe een paar jongens op elkaar botsten en weer weg schoten. Maar een van hen bleef stilstaan met zijn hoofd naar beneden. Ik liep naar hem toe, hurkte zodat ik hem aan kon kijken en legde mijn hand op zijn schouderblad.
‘Gaat het?’ vroeg ik.
Hij snikte. ‘Iemand knalde zijn geweer tegen mijn hoofd aan.’
‘Wil je even naar buiten?’
‘Nee, het gaat wel.’ Hij poetste zijn tranen weg.
En toen strekte ik mijn hand uit en aaide ik hem over zijn hoofd. Hij schrok daar net zo hard als ik van en rende gauw weg.

De dertigers en verkeerde-kant-van-de-twintig-ers eindigden die middag in een hotelbar. Dat vond ik me wat sexy, maar wie houd ik eigenlijk voor de gek.

Pretpakket

Toen ik zwanger was, kwam D. op een dag thuis met een vuilniszak vol babykleertjes. Zijn collega, die ook haar eerste kindje verwachtte, had de kleertjes van haar buurvrouw gekregen en zelf al een eerste selectie gemaakt. De afdankertjes van de afdankertjes waren voor ons.

Dus niet hè. Voor mijn baby wilde ik alleen datgeen wat net zo nieuw en zacht was als hijzelf. Voor de vorm viste ik een romper en een joggingsetje uit de zak. Daarna d(ep)oneerde ik de hele handel bij de kringloop.

Nu, anderhalf jaar later, leef ik met een dreumes die pindakaas in zijn haren smeert en in schapenpoep rond stampt. Voor hem hoef ik niet meer het nieuwste van het nieuwste. Ik ben allang blij als er überhaupt nog iets schoons in zijn kast lig.

Daarbij, hij is inmiddels al aan zijn vijfde garderobe bezig. Nu komt het geldbedrag dat ik aan zijn kleding uitgeef waarschijnlijk nog niet in de buurt van het bedrag dat ik op jaarbasis spendeer aan Thuisbezorgd, maar toch. Een beetje extra besparen kan nooit kwaad.

Groot was dan ook mijn enthousiasme toen ik ontdekte dat er op Marktplaats complete kledingpakketten worden verkocht voor een schijntje. De dreumes hobbelt nu alsnog rond in tweedehandsjes. En wat blijkt? Ik vind ‘m nog steeds even uniek.

Nachtspook

Ik ben gezegend met een baby die prima vijf uur aan een stuk kan slapen. Alleen doet ‘ie dat dan wel aan het begin van de avond. Mijn nachten zijn dus al ruim vier maanden lang gebroken en inmiddels draai ik een beetje door.

‘Heeft Jad nog een fles gehad?’ vraag ik als Dougan ’s avonds een paar uur na mij naar bed gaat.
Voor ik het antwoord goed en wel hoor, ben ik alweer vertrokken. Om half 3 schrik ik wakker. Jad is nog steeds niet voor een voeding gekomen. Kordaat stap ik uit bed. Dan komt de voeding wel naar hem toe.
Ik wankel de keuken in om de waterkoker aan te zetten. Terwijl die zich opwarmt, zoek ik naar de fles. Nergens te vinden. Ik zie wel een geopend pak rijstebloem op het aanrecht staan en maak dat meteen even dicht. Vervolgens kijk ik om het hoekje de woonkamer in. Ja hoor, daar staat de fles. Met nog een bodempje melk erin. Huh?
Terwijl ik mijn hoofd breek over de vraag hoe het mogelijk is dat een fles die schoon op het aanrecht stond toen ik ging slapen nu met melkrestanten op de salontafel staat, maakt de waterkoker een geluid alsof hij bijna uit elkaar knalt. Jad wordt wakker. Zie je wel, heeft hij toch honger. Ik maak de fles schoon, schenk er 150 ml water in en strijk 5 schepjes kunstvoeding af. Eén. Twee. Vier. Vijf.
Ben ik nou een schepje vergeten? Voor de zekerheid gooi ik er nog een half schepje bij. Zo, bijna vijf of net iets meer dan vijf. Jad drinkt het flesje leeg en valt met zijn hoofdje in mijn hals en armpjes om mijn middel weer in slaap. Heerlijk vind ik dat. Laat de nachten nog maar even gebroken blijven; tegen mijn verwarde brein zijn andere maatregelen te treffen, zo blijkt de nacht erop:

IMG_1345

 

Slapen is voor baby’s

Om 4.39 uur vannacht nam ik weloverwogen het besluit om Jad voortaan in zijn eigen kamer te laten slapen.

Het was de zoveelste nacht op rij dat hij halverwege bedacht dat het wel genoeg was geweest. Na anderhalf uur spoken, verplaatste ik hem van de wieg naast ons bed in ons bed. Blij begon hij met zijn armen en benen te zwaaien en sloeg zo zijn vader wakker.
‘Nu ben ik er klaar mee. Ik ga hem in zijn eigen bed leggen,’ zei ik.
‘Eindelijk,’ zei Dougan. Die had al een paar keer eerder geopperd of het niet eens tijd werd. Vooral toen de ledematen van Jad door de spijlen van de wieg heen kwamen steken. Maar nee, ik moest er niets van weten.
‘Het is goed voor de hechting als kinderen dicht bij hun ouders slapen,’ zei ik dan. Nu zijn de afstanden in ons appartementje sowieso niet enorm groot, maar dat vergat ik voor het gemak even. Met als gevolg dat mijn ogen nacht na nacht bij elk zuchtje van Jad open vlogen.

Maar genoeg is genoeg, zelfs voor mij. En dus bracht ik Jad vannacht naar zijn eigen kamer. Eenmaal terug in bed kroop ik diep onder de dekens. Drie heerlijke seconden lag ik zo. Toen schoof ik omhoog zodat mijn oren bloot lagen. Hoorde ik Jad nou? Of juist niet? Als Dougan nou maar even stopte met ademhalen, dan kon ik het allemaal wat beter horen. Even overwoog ik om hem een por te geven, maar om minder had ik Jad uit onze slaapkamer verbannen. Dus stond ik nog eens op, om even te kijken of mijn baby het nog goed maakte. Die lag vrolijk te kirren. Opgelucht sprong ik mijn bed weer in en knalde bovenop Dougan. Ik hóórde hem gewoon denken. Het is een fase het is een fase het is een fase.

Als de waarheid als een slappe smoes klinkt

Veel te vroeg in de ochtend sta ik op de bus te wachten die me naar de trein brengt die me naar een andere trein brengt die me naar een andere bus brengt die me naar kantoor brengt.
‘Hey Anne!’ hoor ik opeens. ‘Is je verlof alweer voorbij?’ Mijn buurvrouw staat naast me.
‘Ja,’ zeg ik. En we babbelen wat over Jad en hoe groot hij al wordt en hoe stil hij is want ze hoort hem nooit huilen.
‘Vind je het moeilijk om hem achter te laten?’
Ik knipper met mijn ogen. ‘Een beetje. Ik zou liever bij hem blijven.’
Er rijdt een auto langs. In het schijnsel van de koplampen neemt ze me op. ‘Moet je nou huilen?’
‘Nee, nee! Dat komt door de wind,’ zeg ik en veeg mijn wangen droog.
Haar bus stopt en ze stapt in. Door mijn tranen heen zie ik hoe ze nog een keer naar me omkijkt.