Als de waarheid als een slappe smoes klinkt

Veel te vroeg in de ochtend sta ik op de bus te wachten die me naar de trein brengt die me naar een andere trein brengt die me naar een andere bus brengt die me naar kantoor brengt.
‘Hey Anne!’ hoor ik opeens. ‘Is je verlof alweer voorbij?’ Mijn buurvrouw staat naast me.
‘Ja,’ zeg ik. En we babbelen wat over Jad en hoe groot hij al wordt en hoe stil hij is want ze hoort hem nooit huilen.
‘Vind je het moeilijk om hem achter te laten?’
Ik knipper met mijn ogen. ‘Een beetje. Ik zou liever bij hem blijven.’
Er rijdt een auto langs. In het schijnsel van de koplampen neemt ze me op. ‘Moet je nou huilen?’
‘Nee, nee! Dat komt door de wind,’ zeg ik en veeg mijn wangen droog.
Haar bus stopt en ze stapt in. Door mijn tranen heen zie ik hoe ze nog een keer naar me omkijkt.

Als het melkmeisje weer gaat werken

Jad is wat je noemt een borsten-man. Vandaar dat hij zo gek is op zijn mama. Vandaar ook dat hij de speen van een fles niet moet.

Met die fles zijn Jad en ik netjes al een paar weken na zijn geboorte gaan oefenen. Want je wilt niet dat je na drie maanden verlof, als je weer gaat werken en je de baby achterlaat bij de oppas, ontdekt dat de baby een flesweigeraar is. Maar in plaats van dat het drinken uit de fles steeds beter ging, ging het bij Jad steeds slechter. Terwijl de weken van mijn verlof verstreken, werd ik dan ook steeds ongeruster. En begon mijn zoekgeschiedenis van Google vol te staan met zoekopdrachten als ‘flesweigeren tips’, ‘symptomen ondervoeding baby’ en ‘sondevoeding baby’. Je weet immers maar nooit.

Alle tips heb ik ondertussen bijna allemaal geprobeerd. Een kleinere, zachtere speen die op een tepel lijkt, andere voeding, de baby lekker dicht tegen me aanhouden, de baby juist wat verder van mij afhouden, hem de fles aanbieden voor het slapen, hem de fles aanbieden na borstvoeding, keer op keer poesje mauw zingen (‘ik heb lekkere melk voor jou’). Vertellen dat de arme kindjes in Oost-Ghouta helemaal geen melk hebben. Het mag allemaal niet baten. Zodra Jad zijn mondje om de speen sluit en merkt dat hij is gefopt, begint hij van boosheid te huilen. En hij mag dan kleinere longen hebben dan ik, hij heeft een langere adem. Waardoor ik het negen van de tien keer eerder opgeef dan hij en mijn jurk maar weer omhoog hijs.

Dus daar zitten we nu. Mijn verlof is voorbij en Jad weigert de fles. De enige internettip die ik nooit heb uitgeprobeerd (want dat kan ik écht niet over mijn moederhart verkrijgen) is hongerprovocatie. Maar ik heb een kleine hoop dat dat morgen bij zijn oppasoma dé oplossing blijkt te zijn. En anders is er altijd nog sondevoeding. Een hele geruststellende gedachte.

Huidhonger

Jad krijgt zijn eerste inentingen. De avond ervoor draai ik nog een laatste was, de vierde van die dag, ruim ik die eerdere wassen op en verschoon ik het grote bed, het kleine bed en het wiegje.
‘Ik stel me erop in dat ik morgen de hele dag zal knuffelen met Jad en verder niks gedaan krijg,’ leg ik ondertussen uit aan D.
‘Zoals elke dag dus,’ zegt hij.

Eenmaal bij het consultatiebureau blijkt dat ik het allemaal spannender vind dan mijn baby. Die huilt alleen even als de naalden in zijn beentjes worden geprikt, maar zodra ik hem oppak en met trillende handen aankleed is hij allang weer stil.

Komt door al dat knuffelen. Daar krijg je ontspannen baby’s van.

Baas in eigen buik

‘Heb je het al gehoord?’
‘Wat?’
‘Anne heeft een kind.’
‘Echt??? Van wie?’
‘Van haar vriend, zegt ze.’
‘Ik wist niet eens dat ze een vriend heeft.’
‘Ja, maar ze was nog niet zo heel lang met hem samen toen ze zwanger raakte.’
‘Hoe dan?’
‘Door seks natuurlijk. Maar hij is dus Syrisch, die vriend van haar.’
‘Daar krijg je wel mooie kindjes van.’
‘Ja, maar ook een heleboel problemen. Straks neemt hij hun kind over een paar jaar mee naar Syrië.’
‘Dat soort verhalen hoor je heel veel.’
‘En ik vraag me af of mannen in die cultuur ook iets aan de opvoeding doen.’
‘Waarom heeft ze het kind dan eigenlijk gehouden? Je kunt het tegenwoordig toch ook gewoon weg laten halen.’
‘Als ik haar was, had ik dat gedaan.’

Gelukkig leven we in een land waar een vrouw baas in eigen buik is, en niemand anders.

(Overigens is deze dialoog fictief, behalve dan dat alles wel minstens een keer tegen me gezegd is.)

Mama

Het is zaterdag 30 september, tien voor tien ’s avonds als ik mijn baby stevig aanpak om nooit meer los te laten. Ik ben mama. En ik voel er helemaal niets bij. Dat wil zeggen: boven alles voel ik de afwezigheid van pijn. Het is met terugwerkende kracht dat ik op dat moment zoveel liefde voel voor die rood aangelopen, schreeuwende baby in mijn armen.

Ik verwachtte dat moederliefde een groots, nieuw gevoel zou zijn. Ik zocht daarom naar dat gevoel terwijl ik met een frons toekeek hoe de verloskundige mijn baby liet vallen om zijn schrikreflex te testen. Ik zocht naar dat gevoel terwijl ik ’s nachts zat te knikkebollen boven zijn slapende hoofdje op mijn borst. Terwijl ik om de haverklap controleerde of hij nog wel adem haalde. Zorgvuldig zijn poepluiers inspecteerde op de kleur.

Niemand die mij zo in de weer zou hebben gezien, zou eraan hebben getwijfeld of ik de moeder van deze baby was. Alleen een moeder vraagt zich af of ze wel genoeg liefde voor haar kind heeft.
Ze heeft niet alleen genoeg, maar vooral ook steeds meer.

Mijn liefde voor mijn baby groeit met hem mee. Dat gaat haast onmerkbaar. Het is op onwillekeurige momenten dat ik het opeens opmerk. Dat mijn hart net zo krap om mijn liefde voelt als het geboortepakje om zijn nu drie weken oude lijfje. Maar waar het pakje begint te knellen, rekt mijn hart mee. Steeds groter en groter wordt het.