Mama

Het is zaterdag 30 september, tien voor tien ’s avonds als ik mijn baby stevig aanpak om nooit meer los te laten. Ik ben mama. En ik voel er helemaal niets bij. Dat wil zeggen: boven alles voel ik de afwezigheid van pijn. Het is met terugwerkende kracht dat ik op dat moment zoveel liefde voel voor die rood aangelopen, schreeuwende baby in mijn armen.

Ik verwachtte dat moederliefde een groots, nieuw gevoel zou zijn. Ik zocht daarom naar dat gevoel terwijl ik met een frons toekeek hoe de verloskundige mijn baby liet vallen om zijn schrikreflex te testen. Ik zocht naar dat gevoel terwijl ik ’s nachts zat te knikkebollen boven zijn slapende hoofdje op mijn borst. Terwijl ik om de haverklap controleerde of hij nog wel adem haalde. Zorgvuldig zijn poepluiers inspecteerde op de kleur.

Niemand die mij zo in de weer zou hebben gezien, zou eraan hebben getwijfeld of ik de moeder van deze baby was. Alleen een moeder vraagt zich af of ze wel genoeg liefde voor haar kind heeft.
Ze heeft niet alleen genoeg, maar vooral ook steeds meer.

Mijn liefde voor mijn baby groeit met hem mee. Dat gaat haast onmerkbaar. Het is op onwillekeurige momenten dat ik het opeens opmerk. Dat mijn hart net zo krap om mijn liefde voelt als het geboortepakje om zijn nu drie weken oude lijfje. Maar waar het pakje begint te knellen, rekt mijn hart mee. Steeds groter en groter wordt het.

Ingewijd

‘Ik had nooit gedacht dat ik zwanger zijn zo fantastisch zou vinden,’ zei ze. Haar huid en ogen straalden met een onschuld die me recht in het hart trof, omdat ik mijzelf van zo’n twee weken terug erin herkende.
Wacht maar tot je ligt te bevallen, dacht ik. Dan is het allemaal echt zo fantastisch niet meer.
Dat kon ik haar echter niet vertellen. Net zoals alle moeders die ik ken het mij van tevoren niet konden vertellen, maar hoogstwaarschijnlijk allemaal wel dachten.

‘Is de bevalling makkelijk gegaan?’ vroeg een zwangere studievriendin aan me.
Eerlijk gezegd was ik er al klaar mee voor het goed en wel begonnen was. Na uren van onregelmatige weeën dacht ik dat mijn baby de uitzondering op het cliché zou blijken en dus wél zou blijven zitten. Achteraf zou ik dat niet eens heel erg hebben gevonden, want dan hadden ze hem eruit mogen trekken met een vacuümpomp of snijden tijdens een keizersnede. Allebei beter dan keer op keer persen zonder persweeën terwijl de verloskundige haar vingers naar binnen stak om me te dwingen ze er samen met het babyhoofdje uit te drukken, maar waardoor ik mijn voeten liever in haar gezicht wilde planten dan in haar zij.

Dat is niet het antwoord dat ik gaf. De pijn van een bevalling kan ik niet beschrijven en al kon ik dat wel, het zou mijn vriendin niet helpen. Eenmaal zwanger is er geen ontkomen meer aan. Wat ik wel kon vertellen, is dat ik de verloskundige niet in haar gezicht heb getrapt. Dat ik mijzelf elke keer weer kon herpakken. Mijn verstand elke keer weer op nul kon zetten en weer een grote hap adem kon nemen. Totdat het hoofdje eindelijk niet meer terug naar binnen floepte, maar bleef staan.

‘Hij is het allemaal waard toch,’ gooide een niet-moeder vriendin er nog een cliché tegenaan.
Dat is waar. Dat je de pijn bent vergeten zodra je jouw kind in je armen houdt, niet. Het is maar goed dat je bij de eerste niet weet hoe het is en bij een volgende weet hoeveel je van je kindje gaat houden. En dat je het kunt, ook al denk je zelf op dat moment van niet.