Het sollicitatiegesprek waarbij ik in tranen uitbarstte

Ik ben nogal snel in tranen. Toen de kapper mijn haar verpestte op de trouwdag van mijn broer, bijvoorbeeld. Of boven een bord pompoenravioli bij O’Pazzo toen M. zei: ‘volgens mij ben je verdrietig.’ Of op het vliegveld van Brussel toen ik wachtte op mijn vlucht naar Sevilla. Maar op nummer één staat het sollicitatiegesprek.

Ik zat op een kanariegele bank, naast mijn potentiële toekomstige manager.
‘Ik krijg de echte Anne maar niet te zien,’ zei ze tegen me. ‘Wie ben jij?’

*

‘Wie ben jij?’ vraag ik aan Vera.
Ze rolt met haar ogen en ik hoor haar denken, Anne, doe niet zo moeilijk.
‘Nee echt, wie ben jij?’ dring ik aan.
‘Ik ben Vera,’ zegt ze stellig.
Ik moet lachen om die nuchterheid van haar. Het lijkt soms andersom, maar zij is de onafhankelijke van ons twee. Zij is Vera en ze doet haar eigen ding en lekker belangrijk wat jij daarvan vindt. Maar stel mij die vraag en ik barst in tranen uit. Hoe kan ik zelfs maar weten wie ik ben als wie ik ben afhankelijk is van met wie ik ben? Ik ben als een kameleon; ik pas mijzelf aan mijn omgeving aan.

Er is nog een reden dat ik niet veel kan met die ‘wie ben jij’ vraag. Ik kan op die vraag antwoorden wat ik wil, maar wie ik echt ben wordt duidelijk in wat ik doe. “Action is character.”
Dat ik begon te huilen op die kanariegele bank, was haar antwoord.
Ik begin volgende week maandag.

Vijf dingen die mannen tegen mij hebben gezegd tijdens het dansen

(Voor wie niet kan begrijpen dat ik niet verliefd word op de mannen met wie ik dans.)

1. ‘Jij moet mij altijd volgen.’

2. ‘Doe iets sexy.’

3. ‘Eén, twee, drie .. vijf, zes, ze-ven … één, twee, drie … vijf, zes, ze-ven …één, twee, drie … vijf, zes, ze-ven … ’ etc. etc.

4. ‘Wauw, jij danst echt goed. Nee echt, ik vind dat je héérlijk danst. Ik kan de hele avond met jou dansen.’

5. ‘…’  En toen liet hij me midden op de dansvloer staan.

Op zoek naar de liefde ehh baan van mijn leven

Solliciteren is net als daten. De arbeidsmarkt ligt voor me open en is vol met kanshebbers. Oké, de meest aantrekkelijke exemplaren zijn vaak al vergeven, maar ik ben positief. ‘Je hoeft er tenslotte maar één te vinden, Anne,’ houd ik mezelf voor. Eén leuke baan die mijn hart sneller doet kloppen, die mij uitdaagt en laat groeien, en die mij rijk maakt. En zolang ik die ene nog niet heb gevonden, is het zoeken ook leuk.

Leuk, maar niet makkelijk. Of misschien ben ik te kritisch. Baan na baan krijg ik onder ogen en baan na baan swipe ik naar links. Nee, nee, nee- oh die was eigenlijk toch wel leuk, nee, nee, nee. Soms is er opeens toch een match. Dan wordt het pas echt spannend. Een paar berichtjes over en weer uitwisselen. Het niet kunnen laten om al te dromen van een toekomst samen. Tien verschillende outfits aantrekken om uiteindelijk in mijn eeuwige zwarte broek te schieten omdat die het lekkerst zit. Met een buik vol kriebels en dat hoofd vol dromen op weg. En dan: de eerste indruk en het aftasten tijdens het gesprek.

Vooral dat laatste. Want net als met daten komen de verwachtingen niet altijd overeen. Vooral niet als de ander bindingsangst heeft. (Toegegeven: organisaties zijn niet de enige die in de stress schieten bij de gedachte aan levenslang. Als het serieus lijkt te worden, raak ik ook in paniek. Dan gaat mijn hart tekeer en krijg ik bijna geen adem meer. Wil ik dit eigenlijk wel?)
Nog niet zo lang geleden werd ik er door zo een afgewezen voor de functie waarop ik solliciteerde. ‘Maar ik vind wel dat je een interessant profiel hebt, dus ik wil je toch graag leren kennen,’ werd me gezegd, ‘misschien kunnen we in de toekomst iets regelen op freelance basis.’
Mooie woorden en vage beloften. Ik wist niet of ik me gevleid of beledigd moest voelen, maar ik ging toch. Voor de ervaring, zeg maar. Ik had kunnen weten dat het met tranen zou eindigen.

Het feestje (Bollywood-stijl)

(Het vervolg op Meisjes van (bijna) 11)

Ik gaf haar een kettinkje in (nep)goud met vier schitterende steentjes.
‘Oh, super mooi!’ riep ze uit toen ik het aan haar gaf.
Maar ik bekeek haar eens goed en bedacht dat ze misschien toch liever iets had gekregen in dezelfde zilverkleur als de nieuwe glitterschoentjes die ze droeg.
Haar twee schoolvriendinnen op de achtergrond verloren even hun aandacht voor hun telefoon. Ze namen mij nieuwsgierig op en trokken zich vervolgens gillend terug om te gaan dansen in de gang. Even maar. Al snel ploften ze neer op bed om de rest van de avond met hun tweeën te smoezen boven die telefoons.
Het jarige meisje kwam bij mij staan en keek ernaar.
‘De jongen op wie Olga verliefd is, heet Brian,’ vertelde ze.
Nog meer gegil vanaf het bed.
‘Wilt u hem zien? Oh nee, ik durf hem niet te laten zien! Oké, kijk, dit is hij,’ zei Olga in één adem tegen mij en ze liet me een Instagramfoto zien van een stoere jongen (volgens haar) met een babyface (volgens mij, maar dat heb ik haar maar niet gezegd).
‘En op wie ben jij verliefd?’ vroeg ik aan het jarige meisje.
Ze trok een vies gezicht.
‘Op niemand,’ zei ze en ze maakte zich zo snel als ze kon op die glitterschoentjes uit de voeten.
Ik lachte en geloofde er niks van. Toen ik elf was, was ik zonder uitzondering verliefd op alle ‘oudere mannen’ die de vrienden van mijn broer waren.

Ik liep naar de woonkamer en werd daar met mijn blonde haren en lichte huid met evenveel nieuwsgierigheid bekeken door de familie.
‘Ben je weleens vaker op een Hindoestaanse verjaardag geweest?’ wilde iedereen weten.
‘Nee, dit is de eerste keer,’ zei ik, maar tijdens het Bollywood dansen wiebelde ik lustig mee op mijn tenen en draaide met mijn armen alsof ik nooit anders heb gedaan.
Ze waren er stil van.
Zo stil, dat ik eigenlijk weer naar huis wilde gaan. Maar het jarige meisje kwam naast me zitten op de hoek van de bank.
‘Blijf je nog tot het taart aansnijden?’ vroeg ze.
Ze stak zelf de elf kaarsjes in een slagroomtaart van de Aldi aan waarop haar broertje ze uitblies. Zodat al haar dromen zullen uitkomen.

Verliefd

‘Als ik lekker met iemand dans ben ik meteen verliefd’, zei een salsavriendinnetje. ‘Nu op hem bijvoorbeeld’ – en ze wees een man aan – ‘terwijl ik anders echt niet op hem zou vallen.’ Ik moest lachen. Niet om de man op wie ze op dat feest even verliefd was (want én hij kon goed dansen én hij had een leuke lach), maar omdat ik het grappig vond dat ze de kriebels in haar buik en de lichtheid in haar hoofd van zoveel draaien in verband bracht met verliefd zijn op een man.

Grappig en verbazend. Ik word namelijk nooit verliefd op de mannen met wie ik dans. Als ik al verliefd wordt voor een nacht, dan is het juist op de mannen die niet met me dansen. Dan stift ik mijn lippen nog roder, trek mijn schouders verder naar achter en til mijn hoofd hoger. Dan ben ik verliefd tot ze wel met me dansen. Maar eigenlijk heeft dat niks met verliefdheid te maken, alleen maar met aandacht.

Toch begrijp ik de verwarring. ‘Volgens mij is Anne verliefd op mij’, zei een jongen eens tegen datzelfde salsavriendinnetje. ‘Ze kijkt me tijdens het dansen zo stralend aan.’ En wat dat stralen betreft, had hij gelijk. Het had alleen niet met hem te maken. Als ik dans met wie dan ook verschijnt er als vanzelf een lach op mijn gezicht die niet meer verdwijnt. Dan schitteren mijn ogen en spat ik haast uit elkaar van geluk. Maar om aan de verwarring van mijn danspartners een einde te maken: ik ben alleen verliefd op het dansen.