Vrijheid voor vrouwen

‘Je moet een discussie beginnen op je blog,’ zei A.
Wat hij bedoelde was: je moet eens schrijven over meer wezenlijke dingen dan dansen en mannen. Ik begrijp het wel. Niemand anders houdt zich zoveel met mij bezig als ikzelf. Daarom volg ik vandaag zijn advies. Ik wil het hebben over een van de meest wijdverspreide vormen van vrouwenonderdrukking in Nederland. Elke dag worden duizenden jonge meiden op subtiele wijze gekleineerd en niemand die het wilt horen, laat staan dat iemand zich ertegen uitspreekt. Ik wil het hebben over het woord meisje.

Meisje.

Het Nederlandse woord voor een jonge vrouw is een verkleinwoord. Waarom is dat? Taal is niet iets wat buiten ons om bestaat. We vormen taal om woorden te geven aan onze diepste overtuigingen. En in de Nederlandse cultuur is blijkbaar nog altijd het idee geworteld dat een jonge vrouw kleiner is dan zij is.

Toegegeven, ik ben zelf ook schuldig. Negen van de tien keer omdat ik nog geen ander woord heb gevonden.

Eén keer omdat ik geloof dat ik kleiner ben dan ik ben.

De concurrentiestrijd

‘Anne, kom eens.’
Mijn manager staat in haar kamer (die met die kanariegele bank) en wenkt mij naar binnen.
‘Ik wil je voorstellen aan D.,’ zegt ze. ‘Zij is onze nieuwe content specialist. Je weet wel, die functie waar jij op solliciteerde.’
D. en ik glimlachen naar elkaar om onze keurende blikken te verhullen, maar onze ogen zien alles. De mijne blijven vooral hangen bij haar volle bos donkerbruine krullen. Ook dat nog.
Oké, ik solliciteerde zonder verwachtingen op die functie omdat ik 0 van de vereiste 5 jaar relevante ervaring had. Maar D. is maar een jaar ouder dan ik en heeft de baan wel gekregen. Ik heb een inhaalslag te maken. En niets prikkelt me zo als een kleine dosis jaloezie en wat competitie.
‘Ze is je concurrente,’ zei een vriend van mij.
‘Maar niet echt, want zij heeft al gewonnen,’ zei ik.
(Voor nu).

Het sollicitatiegesprek waarbij ik in tranen uitbarstte

Ik ben nogal snel in tranen. Toen de kapper mijn haar verpestte op de trouwdag van mijn broer, bijvoorbeeld. Of boven een bord pompoenravioli bij O’Pazzo toen M. zei: ‘volgens mij ben je verdrietig.’ Of op het vliegveld van Brussel toen ik wachtte op mijn vlucht naar Sevilla. Maar op nummer één staat het sollicitatiegesprek.

Ik zat op een kanariegele bank, naast mijn potentiële toekomstige manager.
‘Ik krijg de echte Anne maar niet te zien,’ zei ze tegen me. ‘Wie ben jij?’

*

‘Wie ben jij?’ vraag ik aan Vera.
Ze rolt met haar ogen en ik hoor haar denken, Anne, doe niet zo moeilijk.
‘Nee echt, wie ben jij?’ dring ik aan.
‘Ik ben Vera,’ zegt ze stellig.
Ik moet lachen om die nuchterheid van haar. Het lijkt soms andersom, maar zij is de onafhankelijke van ons twee. Zij is Vera en ze doet haar eigen ding en lekker belangrijk wat jij daarvan vindt. Maar stel mij die vraag en ik barst in tranen uit. Hoe kan ik zelfs maar weten wie ik ben als wie ik ben afhankelijk is van met wie ik ben? Ik ben als een kameleon; ik pas mijzelf aan mijn omgeving aan.

Er is nog een reden dat ik niet veel kan met die ‘wie ben jij’ vraag. Ik kan op die vraag antwoorden wat ik wil, maar wie ik echt ben wordt duidelijk in wat ik doe. “Action is character.”
Dat ik begon te huilen op die kanariegele bank, was haar antwoord.
Ik begin volgende week maandag.

Vijf dingen die mannen tegen mij hebben gezegd tijdens het dansen

(Voor wie niet kan begrijpen dat ik niet verliefd word op de mannen met wie ik dans.)

1. ‘Jij moet mij altijd volgen.’

2. ‘Doe iets sexy.’

3. ‘Eén, twee, drie .. vijf, zes, ze-ven … één, twee, drie … vijf, zes, ze-ven …één, twee, drie … vijf, zes, ze-ven … ’ etc. etc.

4. ‘Wauw, jij danst echt goed. Nee echt, ik vind dat je héérlijk danst. Ik kan de hele avond met jou dansen.’

5. ‘…’  En toen liet hij me midden op de dansvloer staan.

Op zoek naar de liefde ehh baan van mijn leven

Solliciteren is net als daten. De arbeidsmarkt ligt voor me open en is vol met kanshebbers. Oké, de meest aantrekkelijke exemplaren zijn vaak al vergeven, maar ik ben positief. ‘Je hoeft er tenslotte maar één te vinden, Anne,’ houd ik mezelf voor. Eén leuke baan die mijn hart sneller doet kloppen, die mij uitdaagt en laat groeien, en die mij rijk maakt. En zolang ik die ene nog niet heb gevonden, is het zoeken ook leuk.

Leuk, maar niet makkelijk. Of misschien ben ik te kritisch. Baan na baan krijg ik onder ogen en baan na baan swipe ik naar links. Nee, nee, nee- oh die was eigenlijk toch wel leuk, nee, nee, nee. Soms is er opeens toch een match. Dan wordt het pas echt spannend. Een paar berichtjes over en weer uitwisselen. Het niet kunnen laten om al te dromen van een toekomst samen. Tien verschillende outfits aantrekken om uiteindelijk in mijn eeuwige zwarte broek te schieten omdat die het lekkerst zit. Met een buik vol kriebels en dat hoofd vol dromen op weg. En dan: de eerste indruk en het aftasten tijdens het gesprek.

Vooral dat laatste. Want net als met daten komen de verwachtingen niet altijd overeen. Vooral niet als de ander bindingsangst heeft. (Toegegeven: organisaties zijn niet de enige die in de stress schieten bij de gedachte aan levenslang. Als het serieus lijkt te worden, raak ik ook in paniek. Dan gaat mijn hart tekeer en krijg ik bijna geen adem meer. Wil ik dit eigenlijk wel?)
Nog niet zo lang geleden werd ik er door zo een afgewezen voor de functie waarop ik solliciteerde. ‘Maar ik vind wel dat je een interessant profiel hebt, dus ik wil je toch graag leren kennen,’ werd me gezegd, ‘misschien kunnen we in de toekomst iets regelen op freelance basis.’
Mooie woorden en vage beloften. Ik wist niet of ik me gevleid of beledigd moest voelen, maar ik ging toch. Voor de ervaring, zeg maar. Ik had kunnen weten dat het met tranen zou eindigen.