Als de waarheid als een slappe smoes klinkt

Veel te vroeg in de ochtend sta ik op de bus te wachten die me naar de trein brengt die me naar een andere trein brengt die me naar een andere bus brengt die me naar kantoor brengt.
‘Hey Anne!’ hoor ik opeens. ‘Is je verlof alweer voorbij?’ Mijn buurvrouw staat naast me.
‘Ja,’ zeg ik. En we babbelen wat over Jad en hoe groot hij al wordt en hoe stil hij is want ze hoort hem nooit huilen.
‘Vind je het moeilijk om hem achter te laten?’
Ik knipper met mijn ogen. ‘Een beetje. Ik zou liever bij hem blijven.’
Er rijdt een auto langs. In het schijnsel van de koplampen neemt ze me op. ‘Moet je nou huilen?’
‘Nee, nee! Dat komt door de wind,’ zeg ik en veeg mijn wangen droog.
Haar bus stopt en ze stapt in. Door mijn tranen heen zie ik hoe ze nog een keer naar me omkijkt.