Damascus

‘Heb je veel verhalen gehoord over Damascus?’ vroeg ze me.
Ik wil je er alles over vertellen, bedoelde ze. En ze ratelde: ‘Er is een grote straat langs een rivier met aan allebei de kanten allemaal restauranten. Op een avond zoals deze is het daar vol met mensen. Het is mijn favoriete plek. Toen mijn vader wegging hebben we daar in een restaurant een afscheidsfeest gegeven. Mijn moeder zei dat mijn vader gewoon naar het buitenland zou gaan om te werken. Ze wilde me niet bang maken. Maar ik voelde wel dat het niet klopte. Mijn vader ging naar Nederland en een jaar later gingen wij ook. Ik was acht. Ik was blij omdat ik mijn vader weer zou zien. Maar soms wil ik terug en Damascus weer zien.’

Nomade

Het is voorbestemd dat kleine D. een nomade wordt; dat zit in zijn genen. Zijn voorouders trokken vanuit het Ottomaanse Rijk en Rusland naar het Golan-gebergte in Syrië. Daar kaapte zijn opa zijn oma weg bij haar familie omdat ze niet samen mochten zijn. Israël kaapte Golan om minder romantische redenen en dus pakten de opa en oma van kleine D. hun spullen bij elkaar en vestigden ze zich in een ander dorp. In een huis met een tuin vol bijen waar ze honing mee maakten en olijfbomen waar ze olie van persten. Een oorlog later vluchtte zijn vader vanuit dat huis naar Nederland.

En dan de moeder van kleine D. Die kon haar plek in de wereld ook nooit vinden. Tot ze de armen van zijn vader vond. En hoewel mijn armen ook de plek zijn waar kleine D. zich het meest geborgen kan voelen, ben ik blij dat ik hem ook een vaster verblijf kan geven. Zelfs al is dat dan een stukje woonkamer dat is afgeschermd met een gipswandje. Want er zijn zoveel Syrische moeders en zwangere vrouwen die hun vluchtelingenbaby’s dat niet kunnen geven.